Wat geweest is in november.

 

Arnold heet alle leden van harte welkom op deze bijzondere bijeenkomst, waarbij wij door de ogen van een echte keurmeester over "toppers van het district Zuid-Holland Noord" worden geïnformeerd.
Loek van der Klucht zal deze doorkijk met ons bespreken en aan de hand van een mooie Powerpoint presentatie de nodige toelichting geven. 
Bericht van verhindering is ontvangen van Wim Tomey en Jan de Reus, dat zij vanavond niet aanwezig zijn.
 
Vervolgens geeft Arnold het woord aan Loek, die toezegt zijn verslag toe te voegen aan deze inleidende notulen.
Arnold Seesink
 
Onderstaand het verslag door Loek opgemaakt:
 

Toppers van het district Zuid-Holland Noord 2007 - 2008 - 2009

 

Samenvatting van mijn gelijknamige lezing                                                 Loek van der Klugt

 

Het beeldmateriaal

Ik heb de lezing samengesteld uit beeldmateriaal dat ik verkreeg door in de jaren 2007-2009 als fotograaf Wim Tomey te begeleiden toen hij in ons district de keuringen verzorgde. Piet Muller trad op als organisator, vervoerder en uitvoerder van de waterwaardenmetingen. De lezing omvatte 3 gezelschaps-, 4 speciaal- en 2 gezelschapsterraria, alsmede 1 tropisch zeeaquarium. In die volgorde werden de bakken ook behandeld. Vijvers bleven buiten beschouwing. Die categorie heb ik nooit gefotografeerd.

 

De categorieën

De Nederlandse Bond Aqua Terra (NBAT), meer in het bijzonder de Commissie BondsKeurMeesters (CBKM), heeft voor het keuren van de mogelijke typen vivarium daarop toegesneden reglementen ontwikkeld. Daarbij worden de volgende typen vivarium onderscheiden:

A1: Gezelschapsaquarium zoetwater

A2: Speciaalaquarium zoetwater, vissen en planten

A3: Speciaalaquarium zoetwater met nadruk op vissen; eventueel aanwezige planten spelen een ondergeschikte rol

A4: Speciaalaquarium voor hybriden (= kweekproducten zoetwater, zowel vissen als planten)

 

B1 en B2: Als bij A, maar dan voor zeewater

 

C1 en C2: Idem, maar dan voor terraria. Hieronder te verstaan alle vivaria die niet duidelijk als een aquarium kunnen worden aangemerkt.

 

D1: Vijvers met een gemengde bevolking en beplanting, maar zonder Koi

D2: Vijvers, toegespitst op het verzorgen van speciale vissen met beplanting

D3: Vijvers, toegespitst op het verzorgen van speciale vissen zonder of nagenoeg zonder planten.

 

Als speciale waterwaarden worden nagestreefd, dan dienen de deelnemers over geschikte meetsets te beschikken en meetresultaten te kunnen overleggen.

Houders van B2- en C2-bakken dienen een logboek te kunnen overleggen. Dat betreft dan de aanschaf van dieren en kweekresultaten.

 

Toelichting en commentaar op de keurreglementen

De verschillende reglementen kunnen worden geraadpleegd op, dan wel gratis worden gedownload van www.cbkm.nl.

Hoewel dat niet in het reglement voor A1 vermeld staat, dienen maan- en discusvissen in een speciaalaquarium te worden ondergebracht. Die vallen dus onder A2 of A3, afhankelijk van de aanwezigheid en het belang van planten in de bak. Maan- en discusbakken zijn bijna altijd van het type A2. Zo’n bak met alleen drijfplanten zou als een A3-bak kunnen worden aangeboden. Let wel: de deelnemer bepaalt onder welke categorie de bak moet worden gekeurd; de keurmeester mag wel adviseren! A3-bakken zijn meestal Tanganjika- of Malawibakken, maar een bak met grotere Zuid- of Midden-Amerikaanse cichliden kan ook heel goed, misschien zelfs wel zo goed, zonder of nagenoeg zonder planten zijn ingericht. Opmerkelijk is dan dat zo’n ’keienbak’ met een toef Vallisneria spiralis als A2 kan worden gekeurd, maar ook als A3. Bij A2/A3 geldt bovendien dat daarin alleen natuurlijke vormen mogen voorkomen. Kweekvormen, dus ook van (bekende!) kleurvormen uit de natuur afwijkende exemplaren, worden gekeurd volgens de richtlijnen van A4. Dat laatste geldt ook voor andere dan maan- en discusvissen. Dat staat dan weer in het A4-reglement! Uitgangspunt is steeds dat afwijkingen van natuurvormen alleen worden geduld als die afwijking het gevolg is van selectie en niet van manipulatie en het gedrag van die vis niet schaadt. Sluiervinnen mogen in A4, mits ze de vis niet hinderen bij het zwemmen. Kleurbaden, injecties, laserbehandeling, genimplantatie en uiteraard ook amputatie zijn dus altijd taboe. Volgens die regels mogen albinovormen in A4 dus wel. Albino’s, kleur- en sluiervormen mogen wel in een A1-bak worden gehouden, maar de desbetreffende (!) vissen worden dan beoordeeld volgens het A4-reglement.

In alle categorieën dient de kans op kruisingen te worden vermeden. Dat houdt in dat verwante soorten, waaronder per definitie ook ondersoorten, maar ook twee of meer kweek- of natuurlijke (kleur)vormen van dezelfde soort, niet bij elkaar gehouden mogen worden. Volgens die bepaling mag bijvoorbeeld een Hemigrammus rhodostomus niet worden gecombineerd met een H. bleheri Jammer genoeg komt dat nogal eens voor, zij het niet met opzet. Ze zaten dan bij aankoop al door elkaar, dan wel heeft men later aangevuld en niet gezien dat dat met een andere soort gebeurde. Zelf zou ik dit voor de hand liggende voorbeeld willen uitbreiden naar de er eveneens sterk op gelijkende soort Petitella georgiae, al zou die gezien het afwijkende geslacht niet verwant zijn. Ook diverse Corydorassoorten willen nog wel eens tamelijk sterk op elkaar lijken. Die zien we dan ook wel bij elkaar in één groep zwemmen. Ook bij de gemarmerde bijlzalm is er vaak twijfel of het gezien de verschillen in tekening wel om maar één van de twee ondersoorten gaat.

In de categorie C kan een gortdroog woestijnterrarium, dat meestal wel in C2 zal vallen, wedijveren met een oerwoudbak met volwaardig aquariumdeel. Een wat merkwaardige zaak!

 

De A1-bakken

De drie A1-bakken die ik liet zien, waren van leden van de Zoetermeerse vereniging Paluzee. Dan kan natuurlijk toeval zijn, maar ik denk het niet. Niet zelden zie je dat een absolute crack in een club, zoals in dit geval Willem van Wezel die meerdere keren Landskampioen was en het inrichten van een bak tot kunst heeft verheven, medeleden naar een hoger plan weet te tillen. Bart Laurens, die jarenlang als dé terrariumdeskundige gold, maar op zeker moment toch terugkeerde naar zijn jeugdliefde het houden van een aquarium, en al kort daarna districtskampioen werd, gaf eerlijk aan dat hij zich bij de opzet van zijn bak door Willem had laten adviseren. Erg fijn als dat kan, maar zeg nou niet dat het dus een bak van Willem was die zo hoog werd gewaardeerd. Dat blijkt ook wel uit latere resultaten, want het hoge niveau van de eerste keer wist Bart ook zonder hulp van Willem zonder meer vast te houden. Maar ja, iemand als Bart doet gewoon alles even goed! Helaas, Bart kon niet naar de Landelijke keuring doordat zijn plantenbestand vlak daarvoor instortte. Vrijwel zeker was dat te wijten aan het veel te hoog opjagen van de plantengroei. In dat jaar zagen wij bij nagenoeg alle deelnemers sterk ‘blazende’ planten. Dat ‘blazen’ is dan de liefhebbersterm voor wat de wetenschap overassimilatie noemt. Assimilatie is het proces van opnemen van koolzuurgas, het binden van de koolstof daaruit en het teruggeven van zuivere zuurstof. Dat proces is het allerbelangrijkste onderdeel van de beroemde stofwisselingskringloop in het aquarium. Normaliter zie je de afgifte van zuurstof niet, wel als het al te heftig verloopt. Wat je dan als blazen ziet, is niet minder dan het ontsnappen van bellen zuurstof uit de plant. Dat lijkt mooi, maar is het niet. De plant loopt er schade door op en de zuurstof ontwijkt nagenoeg ongebruikt aan het wateroppervlak. Zo dien je ook zodanig koolzuurgas toe te voegen dat het geheel in het water oplost. Dat is nog een hele kunst. Bij waarnemen van ‘blazen’ kun je twee dingen doen: minder licht geven, maar logischer is de koolzuurgastoevoer knijpen. ’s Nachts hoort die trouwens helemaal nihil te zijn. Immers, bij gebrek aan licht valt er helemaal niets te assimileren. De vissen krijgen het er alleen maar benauwd van! Reken maar dat al die plantenmensen met koolzuurgas, licht en meststoffen aan de gang zijn! De grote kunst is dan een evenwicht te vinden. Dat vergt voortdurende opmerkzaamheid en ervaring. Minder kan best beter zijn!

 

De speciaalbakken

Een van de drie speciaalbakken was de Zuid-Amerikabak van good old René van den Berg. René doet al vanuit de Minortijd elk jaar trouw mee. Eén keer heeft hij met leuk resultaat in de Landelijke mogen meedoen. René beschikt over een prima ontworpen en gebouwd aquarium met de voor zijn geliefde Discusvissen zeer geschikte afmetingen van 160x60x60cm. De ombouw is geheel demontabel en in het meubel dat hij zelf ontwierp maar door een meubelmaker liet maken, is een fraai biologisch filter met koolzuurgastoevoer opgenomen. Bij René gaat het wat het koolzuurgasgebruik betreft niet om de plantengroei, maar om de pH die hij vanwege zijn vissen op 6,8 wil houden. Ook heeft hij een waterfabriekje met omgekeerde osmose om het kraanwater meer voor zijn doel geschikt te maken. René maakte een prachtige wandbekleding van dikke platen Roofmate en met minerale pigmenten op kleur gebrachte epoxyhars.

Ook een prachtige wandbekleding en dito imitatiekeien maakte Erik-Jan van der Berg (géén familie!), jeugdlid van Danio Rerio Delft voor zijn Malawibak. Voor de wandbekleding maakte hij gebruik van platen piepschuim die hij in reliëf bracht. De keien maakte hij van proppen krantenpapier die hij beplakte met glasvlies gedrenkt in tweecomponenten epoxyhars. Met de hars nog kleverig, rolde hij die door aquariumgrind. Na uitharding haalde hij de kranten eruit en hield zo weinig wegende holle keien van de door hem gewenste vorm en grootte over. Ze zagen eruit als verweerd graniet. Prachtig! De eerste twee jaar dat wij de bak van Erik-Jan mochten bekijken, maakten twee vrouwen en één man Fossochromis rostratus de dienst uit. Dat wil zeggen, de andere vissen vertoonden er een bepaald gedrag door. Tomey vond dat prima. Helaas, bij een volgende verenigingskeuring hield de keurmeester zich aan het reglement dat zegt dat de bewoners ook in de uiteindelijk grootte nog moeten passen. Met andere woorden: doe er geen vissen of planten in die er na verloop uit moeten omdat ze te groot gaan worden. Dus verbande Erik-Jan zijn inderdaad forse, maar beslist niet te grote vissen naar zijn kweekschuur. Tomey vond dat niks: als die vissen inderdaad te groot zouden worden, dan had dat altijd nog gekund! Nu was de hele orde in het gedrag van de andere vissen weg. Best een listig punt: natuurlijk moet het er niet duimendik op liggen dat een dier of plant uiteindelijk te groot voor het vivarium zal worden, maar in minder evidente gevallen zou toch wel het voordeel van de twijfel mogen gelden.

Probleem bij Tanganjika- en Malawibakken en bakken met vissen uit bijvoorbeeld de Midden-Amerikaanse kratermeren is dat daarin nogal extreme waterwaarden moeten worden gerealiseerd. Dat gaat dan om hoge pH en hardheid. Kennelijk valt het niet mee om aan de vereisten te voldoen, want men zit er nogal eens naast/onder.

Vaste deelnemer is ook Jos Koster met zijn A2-bak, gebaseerd op de Grote Soenda-eilanden. Het aquarium straalt door het gebruik van weinig plantensoorten rust uit. Op de bodem domineert Blyxa japonica, op de wanden diverse en vooral fijnere varianten Javavaren. Opmerkelijk is het fraai met penseelalg begroeide imitatie hout. Al vele jaren aanwezig: Barclaya longifolia, die regelmatig bloeit en zich door uitzaaien voortplant. Tegenwoordig tref je die plant nog maar weinig aan. De bloemknoppen bereiken zelden de oppervlakte en gaan nog minder vaak open. Toch ontstaat er vruchtbaar zaad. We noemen dat cleistogame bevruchting. Jos is gestopt met het gebruik van koolzuurgas. Wel streeft hij naar zacht water. Daartoe ververst hij continu met omgekeerd-osmosewater: wat hij toevoert, vloeit automatisch af. De blikvangers van de bak zijn grondelachtige Stiphodon elegans die vanwege het turkooise masker van vooral de mannen de populaire naam Electric blue hebben gekregen. Lastig goed te fotograferen! Gelukkig leverde Jos fraaie foto’s aan, Jos was dit jaar voor de tweede keer gastdeelnemer aan onze keuring.

 

De terraria

In de categorie C1 liet ik het vochtige oerwoudterrarium van Leen van Doorn van DRD en mijn eigen oeverterrarium zien. Bij Leen is er slechts sprake van een poeltje dat vooral dient als eerste levensruimte voor de larven van zijn gifkikkertjes Ranitomeya ventrimaculatus. Inderdaad, in die geslachtsnaam is ons aller Wim Tomey geëerd. Hij dankt dat aan Luuc Bauer die de kikkertjes op naam bracht die Tomey in Peru ving. Die gingen toen door het leven als Dendrobates reticulatus, maar Luuc vond dat het helemaal niet om een Dendrobatessoort ging. Nog sterker, de diertjes pasten nergens in. Dus was er behoefte aan een nieuwe geslachtsnaam. Ter plaatse werden de kikkertjes die een vuurrode rug hebben en een uitgesproken nettekening (= reticulatus) op de poten Ranitas rojas genoemd. Vandaar dat Rani in de geslachtsnaam. Ranitas is Spaans voor kikkertje en rojas is rood. Zo heeft Luuc ook de geslachtsnamen Ameerega (naar Jan Meere, een van de oprichters van de paludariumclub waarvan Luuc net als ik vanaf het begin in 1975 lid is) en Oophaga (=ei-eter; de larven worden door het moederdier met onbevruchte eieren gevoed) opgericht. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. Tussen de voorstellen van Luuc en de erkenning in 2006 lag maar liefst 20 jaar! Leen is altijd op zoek naar vooral klein blijvende plantjes. Dan kan hij daarvan zoveel mogelijk soorten houden. Keurmeesters hebben daar moeite mee … Leuk was dat de kikkertjes van Leen bij de keuring niet te zien waren, maar binnen een uur na vertrek van de keurmeester aan een voortplantingsorgie begonnen. Leen leverde overtuigende foto’s waarop de kikkertjes zich in een bladoksel van een bromelia verdrongen. Leen heeft een waterfabriekje dat hij bedrijft met regenwater. Daarmee wordt de achterwand continu bevloeid en worden de planten die verder van de wand op hout staan en dus epifytisch zijn toegepast periodiek besproeid. De techniek van de bak heeft Leen zelf uitgedokterd. Alles zit op een paneel achter de bak en dat kan met een hefboom omhoog worden gebracht. Naar eigen zeggen was Leen een van de eersten die T5 toepaste. T5 sprak hem aan vanwege de grotere lichtopbrengst bij de maximaal toe te passen lengte van de buizen en de platte lichtkap die hij erdoor kon maken.

Mijn eigen bak heeft een zo groot waterdeel dat het als een volwaardig aquarium fungeert. De ruimte onder het landdeel wordt benut als ‘inpandig’ watervoorraadvat. Als gevolg van de noodzakelijke ventilatie verdampt er namelijk nogal wat water. Om te voorkomen dat het water in het aquariumdeel met de dag lager zou komen te staan, zou je dus dagelijks water moeten toevoeren, dan wel net als Jos moeten werken. Met zo’n voorraadvat kun je voortdurend water de bak inpompen en dat via een overloop laten terugvloeien. Dan hoef je maar een keer in de veertien dagen bij te vullen. Dat doe ik dan meteen bij het verversen. Wat er nog in het voorraadvat zit, wordt afgevoerd. Dat levert dan een verversing van ongeveer de helft van het totale watervolume op. Bij het rondpompen wordt het water omhoog naar een rotspartij gebracht, vanwaar het links de bak in stroomt om vervolgens naar de overloop rechts te stromen. De overloop is in hoogte instelbaar. De achterwand wordt door een aparte pomp een aantal keren per dag gedurende enkele minuten bevloeid. Ik filter niets en toch is het water altijd helder. De wanden zijn begroeid met epifyten. Dat zijn planten die in de natuur op andere planten groeien, vooral op de takken en stammen van bomen. Ik toon de bak toen er nog een met Tillandsia’s begroeide liaan was. Die is er als gevolg van verkeerde materiaalkeus helaas niet meer. Op de sompige bodem van het landdeel groeien vooral moerasplanten. De populaire naam voor zo’n bak is paludarium (palus = moeras). Volgens Luuc Bauer zou hij riparium moeten heten (ripa = oever). In het bovendeel hield ik de parthenogenetische gekko Lepidodactylus lugubris. Die diertjes kunnen zich voortplanten zonder dat er mannetjes aan te pas komen. De nakomelingen zijn perfecte klonen van het moederdier!

 

Last but not least liet ik de uiterst fraaie zeebak van Jan Kroon van DRD zien. Daarop stond zoveel licht dat ik de vissen haarscherp kon fotograferen zonder te hoeven flitsen. Dat was maar goed ook, want flitsen mocht niet! Dat visbestand was een lust voor het ook: mooie schooltjes met uitgekiende kleurcombinaties. De inrichting was een meesterwerk qua compositie en ruimtelijkheid. De bak was 1m diep bij 0,7m hoog en van twee kanten inzichtelijk. De achterzijde was bijna zo mooi als de voorzijde. Voor de techniek had Jan maar liefst een hele kamer in gebruik. Heel belangrijk voor zo’n bak is een goed werkende eiwitafschuimer. Daarmee verwijder je organisch vuil nog voordat het wordt afgebroken. Verder is een met koolzuurgas bedreven kalkreactor van belang. Daarin wordt kalk in oplossing gebracht, wat nodig is om de rifkoralen in de bak te kunnen doen groeien. Gevoerd werd onder meer met broccoli. Dat bevat namelijk zeer weinig nitraat. Uit een batterij flesjes werden druppelsgewijs spoorelementen gedoseerd. In twee grote vaten werd zeewater gerijpt waarmee wekelijks een deel van het water werd ververst. Helaas is Jan met de hobby gestopt.

 

Als redacteur ben ik blij met deze samenwerking, heren bedankt.

 

Redactie